Foto’s uit het verleden
Artikel uit het Parool september 2009
We schrijven, om ook eens klassiek te beginnen, 1949. De opwinding over de bevrijding was langzaam weggeëbd en Nederland maakte zich op voor de wederopbouw. Ook de jongens en meisjes van de Spartaschool in Oud-Zuid hadden het vizier op de toekomst gericht. Wat zou het worden? De nijverheidsschool? De mulo? Of toch de hbs, het lyceum of misschien wel het gymnasium?
Zestig jaar later zitten ze weer naast elkaar, op een steenworp afstand van de school waar ze opgroeiden. Argo, het buurthuis waar ze als kind op zaterdagmiddag cojbojfilms keken, is deze donderdag het decor van een reünie van de zesde klas van toen. “We hadden de itjd van ons leven.”
Als ik binnenkom, is de lunch net achter de rug. Grote hilariteit. Uitgerekend de man die al zeventig jaar in de Argonautenstraat woont en dus nog steeds op zijn oude school uitkijkt, heeft geraden wie de mystery guest is die in hun midden staat. Het is Ab Heyboer, zoon van de hoofdonderwijzer. Hij lijkt sprekend op zijn vader, ook al was die destijds dertien jaar jonger dan hij nu is. “Maar vroeger leek iedereen ouder.”
De leerlingen hebben niets dan lof voor de frik, die in 2003 op honderdjarige leeftijd overleed. “We hadden heilig ontzag voor hem. Hij was streng maar rechtvaardig, en altijd in de plooi.” Dan steekt een vrouw haar hand op. “Dat klopt wel, maar ik was ook een beetje bang voor hem.” Zoon Ab: “Thuis was hij ook zo. Ik moest vaak in de hoek gaan staan en ruik nog steeds de geur van het behang. Maar hij heeft me nooit geslagen.”
Een man: “Nou, als je kauwgum kauwde, kreeg je mooi wel een klap in je nek.”
Ja, de nostalgie viert hoogtij vanmiddag.
De oud-leerlingen verkneukelen zich over de anekdotes die over tafel vliegen. De Spartaschool afficheerde zichzelf als ‘een openluchtschool voor het gezonde kind’, wat wil zeggen dat de ramen s zomers en ’s winters wijd open stonden. “Je stierf van de kou, maar we waren nooit ziek.”
Iemand schuift een oude klassenfoto onder mijn neus. “Die juf heb ik nog een keer jankend de klas uit gepest.” Ze wijst me August Willemsen aan, de schrijver die in 2007 overleed. “Wij noemden hem altijd Guus.”
Van de 43 leerlingen die op de foto staan, zijn er twintig aanwezig: dertien mannen en zeven vrouwen, allemaal geboren tussen 1936 en 1938, de één wat meer door het leven getekend dan de ander. De rest kon niet komen, is geëmigreerd of, net als Willemsen, overleden. Maar wie er wel is, is nog springlevend: “Kijk, dat was het mooiste meisje van de klas.”
Met de fotoalbums in de hand halen ze zoete herinneringen op. Ik blader ondertussen door een oude schoolkrant. ‘Laat ons de Spartafakkel helder brandend houden.’
Als iedereen weer zit, leest Rob Otte voor uit het boek dat hij recent heeft geschreven: In gesprek met mijn overleden vader. Herman Otte was een verzetsman die verbitterd uit de oorlog kwam en ten onder ging aan haat en drank.
En dan is het tijd om een kijkje te nemen in de school zelf. Verbaasd kijken de onderwijzers van wat nu de Olympiaschool heet, naar de krasse knarren. Druk pratend betreden ze het gebouw dat zestig jaar geleden hun wereld begrensde.
“Wat is het klein.” Maar het lied dat ze elke zaterdagochtend samen met de eerste twee coupletten van het Wilhelmus moesten zingen, dat Spartaschoollied zijn ze nog niet vergeten. Uit volle borst:
Waar licht en lucht vrij binnenkomt,
Daar is het heerlijk fris.
Daar blijft een kind zo kerngezond,
Hoe zwaar zijn werk ook is.
Van oude menschen, de dingen, die voorbijgaan.
